Kort verhaal 
Parelmoeren knopen 
Verscholen vermoeidheid is wat ik hier zie.
Terwijl ik verkleed de gang in ren in een afgefladderde Zorro cape voel ik hoe de zwarte klodders van mijn wimpers op de rode zilte wangen eronder vallen. Langzaam versmelten de muren van de gang en de deur naar de keuken in een zwartgrijze vloeistof over mijn blikveld. Alles gaat traag, alleen mijn op nylon glijdende voeten razen onder me door. Gillend en tierend rent Dora achter me aan, alsof zij het monster dat me op de hielen zit, écht ziet. Het omgeklapte tapijt breekt de vlucht uit mijn moeders kamer. Wanneer Dora dichterbij komt, zie ik dat de huid onder haar kraalogen, en het viezige stuk onder haar neus, nagenoeg droog zijn. Leugens. Haar groezelige voetjes wrijven over elkaar heen terwijl ze me verwonderd aankijkt. ‘Waarom stop je?’ Op dat moment besloot ik dat er zonder echte tranen nooit echte angst kon bestaan. Ik vouw me omhoog, grijp het stukje verbrokkelde rode lippenstift uit haar handje en gooi het over haar heen de gang in.
Dat besluit wist ik in mijn kinderhoofd om te keren naar een onlogische overtuiging ‘de angst is niet echt zolang er geen tranen zijn gevallen’. Later kon ik dat beeld eenvoudig doorprikken met de fantasieloosheid die bij het volwassen-zijn behoort, al bleef het altijd regeren in mijn uitgedroogde traankanalen.
‘Heb je ondertussen al een ander gezicht aangetrokken?!’ is wat ik hoorde.Terwijl mijn moeder demonstratief al haar jurken van de vloer naar het bed verplaatste. Met mijn rug kaarsrecht tegen de muur, billen op de harde grond en blik vooruit, verdween ik uit de huls die stil moest zitten. Ik bewoog mee met het zachte ruisen van chiffon jurken tegen elkaar en al die felle kleuren. Iedere keer viel er iets uit de lucht dat het beeld drastisch veranderde. ‘Ik vroeg, of je ondertussen al een ander gezicht had aangetrokken?!’. De waas van het staren hield me vast, ik zag ogen in parelmoeren knopen, monden in open gulpen en neuzen in het plooien van een mouw. In zachte stoffen vormden zich zachte blikken met scherpe trekken. Mijn arm verplaatst zich maar vergeet mijn linkerschouder. Mijn hoofd volgt de richting van mijn arm, ook de rest volgt gedwee, alle kleuren en gezichten scheren aan me voorbij. De muur raakt mijn schouder, dan mijn hoofd en mijn kleine lijf druipt van het paarsgebloemde behangpapier.
Dit was een hard klinkend verwijt om de teleurstelling die ik ben. Een verwijt dat met de jaren van buiten mijn oorschelpen naar binnen is gegroeid. Het schuldgevoel ervan weergalmt in de opgekrulde rand van die welgevormde schelpen. Het schuldgevoel van van mij moeten houden maar niet willen. Of niet kunnen. Maar dat is erger. Zo was er voor mij toch ook geen beginnen aan?
Nu ik na al die tijd deze foto zie, één van de laatste zo trouwens, voel ik een nieuw, ander soort schuld. Dat kleine stukje witte lijf wat zo afsteekt tegen die zwarte blouse, die opstaande mouwen, die ingesnoerde riem die accentueert (maar niet het goede) en die hoed. Oh die hoed. Om mijn kalende kop te verbergen. Zelfde kinderlijke fantasie, als ik het niet zie, dan is het er niet. Er was inderdaad niets meer daar. Een vertoning is het wel. Van ridderlijke mannelijkheid in brede schouders en harde blikken. Een hol harnas, dichtgeslagen aan de randen. Niks van af te lezen. Alleen ik zie die vermoeidheid, omdat ik weet dat ie er was. Zo’n harnas uit de middeleeuwen woog gemiddeld 35 kilo, zwaar metaal met scherpe randen en lege vormen. De gewoonte van het dragen heeft mijn lichaam uitgeput.
Back to Top